Moeten de vogels zich aanpassen?

Nestjes met mezen
©

Moeten de vogels zich aanpassen?

Alle soorten die we nu kennen, hebben zich in het verleden aangepast aan allerlei veranderingen, al dan niet klimatologisch. Zo niet, dan waren ze allang uitgestorven. Hoe waarschijnlijk is het dat soorten ook weer een mouw weten te passen aan de huidige, pijlsnelle, klimaatverandering? Zijn er ontsnappingsroutes?

Uit onderzoek op de Hoge Veluwe komt naar voren dat pimpelmeesmoeders kunnen leren om vroeger te leggen. Ze kunnen dat op grond van hun ervaringen met het voedselaanbod in het voorgaande jaar. De vogels leren niet de verschillen tussen jaren in het algemeen, maar ze leren de timing van de rupsenpiek op hun eigen stekje kennen.

Op De Hoge Veluwe, met een sterk wisselende vegetatie, verschilt het moment van de voedselpiek in hetzelfde jaar flink op een schaal van maar een paar honderd meter. Heeft hij eenmaal gekozen voor een bepaalde plek, dan blijft een pimpelmees daar zijn hele leven broeden. Het 'Ieren' zal in zo'n geval zijn vruchten afwerpen in de vorm van meer overlevende jongen.

Door te leren kunnen pimpelmezen het leggen van hun eieren goed  timen, maar dat wil niet zeggen dat klimaatverandering geen problemen oplevert. Pimpelmezen leven namelijk maar een paar jaar. Daardoor bestaat een populatie altijd voor een groot deel uit jonge, onervaren dieren. Zij hebben nog geen ervaring en zullen dus relatief laat leggen.

Een  tweede aanpassing is het eerder starten met bebroeden. Het bebroeden van de eieren begint dan al voordat de laatste eieren gelegd zijn. Hierdoor komen de jongen niet tegelijk uit. De latere jongen hebben slechtere overlevingskansen. 

Bij trekvogels is het verhaal ingewikkelder. Om zich aan te passen aan klimaatverandering in zijn broedgebied zou een trekvogel eerder moeten vertrekken, of sneller moeten vliegen. Maar onderweg moet er wel genoeg voedsel beschikbaar zijn. Genoeg insecten bijvoorbeeld, in het geval van de bonte vliegenvanger.  Als het voorjaar in de gebieden waar hij doorheen trekt niet vervroegd is, zal hij dat eten niet vinden. Dan valt er niet tegen op te boksen.

Het achterwege laten van een tweede broedsel is een derde aanpassingsmogelijkheid. Dat gebeurt waarschijnlijk doordat er onvoldoende voedsel voorhanden is in de periode nadat het eerste nest jongen uitgevlogen is. Op deze manier worden er minder jongen per jaar geboren, wat ongunstig is voor de populatie.

AI met al zou de natuur zich best kunnen aanpassen. Maar die aanpassing gaat niet altijd snel genoeg. Ook zal dit vermogen sterk variëren van soort tot soort. Sommige soorten hebben voldoende flexibiliteit om te blijven floreren. Andere zullen het erg moeilijk krijgen met de voorspelde veranderingen in het klimaat. Zeker als je leefgebied al sterk versnipperd is of als je klem zit in je trekroutine, kom je als soort van een koude kermis thuis. Of beter gezegd: van een oververhitte.